Monday, April 7, 2014
In Memoriam Apparatus: Snuffelpaal


Veel apparaten gaan strijdend ten onder. Voor de eerste volautomatische snuffelpaal was het een strijd tegen zure regen en bossterfte.


In het jaar dat Neil Armstrong zijn eerste stappen op de maan zette, kreeg Nederland zijn eerste volautomatische snuffelpaal. Wie dat een kneuterige uitvinding vindt, moet weten dat de snuffelpaal toen nog zwaveldioxide-monitor heette en dat hij van Nederland een gezondere plek op aarde zou maken. Hij was een technisch hoogstandje en een belangwekkende aksievoerder.


De overtuiging dat er iets moest gebeuren tegen milieuverontreiniging hing al een aantal jaren in de lucht. Aloysius Bartels, staatssectretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid, gaf het Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIV) in 1966 opdracht een landelijk meetnet voor luchtvervuiling op te zetten. Zo’n meetnet kon de vervuiling in kaart brengen en waarschuwen als het de spuigaten uitliep.


Grappig genoeg nam de luchtverontreiniging in die jaren vermoedelijk juist drastisch af ten opzichte van de voorgaande decennia. Dankzij de ontdekking van de gasbel in Slochteren (1959) stapten we immers massaal over van steenkolen op aardgas. De snuffelpaal dankt zijn bestaan vooral aan de maatschappelijke perceptie van de luchtvervuiling. Vandaar ook dat hij uitsluitend zwaveldioxide mat; voor fijnstof, stikstofoxiden, ozon en andere vuiligheden kwam pas later meer aandacht.


De eerste volautomatische zwaveldioxide-monitor, ontworpen door het Natuurkundig Laboratorium van Philips en de Technische Hogeschool Eindhoven, bevatte een glazen kolf met een broomoplossing. De zwaveldioxide in de lucht reageerde met die oplossing, wat zorgde voor een veranderde elektrische spanning (redoxreactie). Elektronica stuurde de gemeten waarden via telefoonlijnen door naar regionale centra. Na verwerking gingen de data verder naar het Nationale Meet Centrum van het RIV in Bilthoven.


De snuffelpaal was een solitaire werker. Hij moest minimaal drie maanden achtereen kunnen functioneren zonder controle van buitenaf. Soms trok hij dat niet. Als een contactje stuk ging, of de chemicaliën raakten op, dan bleek uit de signalen die hij stuurde dat hij iets mankeerde. Een medewerker bracht hem dan ter reparatie naar Eindhoven, waarna hij op een van de andere 219 meetpunten verder mocht werken. Zo zag de snuffelpaal nog eens wat van Nederland.


In de jaren tachtig leek de dreiging van zure regen minstens zo belangrijk als die van de koude oorlog. Niets doen zou leiden tot massale bossterfte en afbrokkelende kerkbeelden. Al snuffelend in zijn huisje streed de zwaveldioxide-monitor mee tegen het Grote Gevaar. Helaas bleek in dezelfde periode dat het allereerste ontwerp niet meer voldeed aan de eisen van die strijd. Zijn aard was te kwetsbaar, zijn metingen niet betrouwbaar genoeg. In 1985 namen nieuwe snuffelpalen zijn plaats in, die de vervuiling met optische methoden in kaart brachten.


Glazen kolven en chemische oplossingen zijn sindsdien niet meer geliefd in het meetnet. Aksievoeren is een kwestie van kille rekencapaciteit geworden. De nieuwste vinding, de iSpex, is zelfs geen paal, maar een smartphone  met een verlengstukje. Daarmee kan elke jandoedel zich snuffelpaal voelen.
Twee ouderwetse zwaveldioxide-monitoren wisten aan de opruimwoede van het RIVM te ontkomen. Ze kwamen terecht op een zolder van het RIVM in Bilthoven. Van daaruit zijn ze vorig jaar bijgezet in de apparatencrypte van Museum Boerhaave in Leiden.

In: De Volkskrant (Sir Edmund), 5 april 2014
Foto: Museum Boerhaave
Read more
Thursday, April 3, 2014
'De Nederlandse rechtstaat is in de prullenbak beland'





Nog voordat het NSA-schandaal de wereld opschudde, presenteerden de hoogleraren Jan Smits en Bert-Jaap Koops bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken de resultaten van een studie naar verkeersgegevens (metadata). Sindsdien houdt Den Haag zich muisstil over het onderwerp. Volgens Smits is het hoog tijd dat zowel politici als ingenieurs hun verantwoordelijkheid nemen voor de rechtstaat.



Voor hem op tafel liggen een smart phone en een tablet. Zodra hij zich even niet kan herinneren wanneer een bepaalde de wet ook alweer inging, glijden zijn vingers snel over een van de schermen.
“Ik kan het niet laten, ik vind het uiteindelijk toch te leuk”, zegt hij bijna verontschuldigend. “Maar ik begin wel steeds meer paranoïde te worden.”


We zitten in een Utrechts café dat ons gratis wifi aanbiedt. Prof.mr.dr. Jan Smits, hoogleraar Recht en Techniek, legt uit waarom hij zich zorgen maakt.
“Wij maken allebei verbinding via wifi. Als opsporingsambtenaren dat willen, kunnen ze uitzoeken dat wij ons op deze dinsdagochtend beiden bevonden in dit café. Ik ben als hoogleraar verbonden aan de TU Eindhoven, jij bent wetenschapsjournalist. De kans is groot dat we hier samen zaten te praten over mijn onderzoek.”


Wat hij maar wil zeggen, is dat niet-inhoudelijke gegevens over onze communicatie vaak wel degelijk kunnen leiden tot inhoudelijke informatie. Zulke ‘niet-inhoudelijke’ gegevens worden ‘verkeersgegevens’ genoemd, sinds het Snowden-schandaal beter bekend als metadata. Met wie we waar, wanneer en hoe lang bellen, welke websites we bezoeken, waar we ons bevinden, wie we mailen en met welk onderwerp: het zijn allemaal verkeersdata.


Los van elkaar geven ze misschien niet zoveel informatie, maar de combinatie van allerlei metadata zegt vaak meer over ons leven dan een lange handgeschreven brief aan een verre tante zou doen. Dat is reuze handig voor opsporingsambtenaren, die deze gegevens momenteel vrijelijk kunnen opvragen bij de telecomproviders.


Briefgeheim
De vraag is alleen, of sommige verkeersgegevens wellicht niet beter als ‘inhoud van communicatie’ kunnen worden beschouwd, net zoals de inhoud van een brief of een telefoongesprek. In een studie naar verkeersgegevens hebben Smits en zijn Tilburgse collega prof.dr.Bert-Jaap Koops deze vraag proberen te beantwoorden. De aanleiding was een concept wetsvoorstel waarin verkeersgegevens zouden worden uitgesloten van bescherming onder artikel 13 over Briefgeheim (zie kader). Overheidsambtenaren mogen het briefgeheim alleen schenden mits de rechter dat toestaat.


“Juristen zijn altijd bezig met het onderscheid tussen inhoud en vorm”, legt Smits uit. “Of iemand nu een computer hackt, of een bordje met ‘verboden toegang’ negeert, dat is voor een jurist gewoon een strafbaar feit. De vraag was dus, of verkeersgegevens de inhoud van de communicatie betreffen, of alleen de vorm.”


Die vraag kwam van juristen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De studie vond plaats in 2012 en de bevindingen verschenen begin 2014 in het boek Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet; een techinishe en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie. Kort door de bocht luidt de conclusie, dat een groot deel van de verkeersgegevens volgens de hoogleraren inderdaad moeten vallen onder artikel 13 (briefgeheim).


Dat geldt niet voor alle verkeersgegevens. Het emailadres van een verzender of een ontvanger beschouwen de heren bijvoorbeeld als ‘vorm’, terwijl de onderwerpregel als ‘inhoud’ geldt. Ook een IP-nummer (een soort adrescode voor elke computer) is ‘vorm’, maar een URL-regel (website-adres) gaat door voor ‘inhoud’. Met veel tijd en moeite vallen alle verkeersgegevens in te delen in deze verschillende categorieën. Toch is dat niet wat de hoogleraren de wetgever aanraden te doen.


Het probleem is dat elke indeling die de wetgever maakt, vermoedelijk gaten of onduidelijkheden openlaat die in de praktijk om interpretatie vragen”, legt Bert-Jaap Koops uit per e-mail. “Daarom is nadere reflectie nodig, die de wetgever zou moeten uitvoeren. Voor de wat langere termijn komen we dan op de suggestie dat het vermoedelijk geen zin meer heeft om überhaupt nog verkeersgegevens te onderscheiden van inhoud, en de wetgever zou idealiter het wettelijk kader daarop moeten aanpassen.”

NSA-schandaal

Het boek van Smits en Koops valt te lezen als een goed onderbouwde waarschuwing tegen het ongebreidelde gebruik van metadata door opsporingsambtenaren. Sinds het NSA-schandaal staat dat onderwerp erg in de belangstelling, maar de studie was al een jaar geleden afgerond.



Dit boek hebben we geschreven voordat het Snowden-verhaal begon”, zegt Smits. “Binnenlandse zaken heeft de studie eind januari 2013 gekregen, in februari gaven we een presentatie aan alle ambtenaren bij de inlichtingendienst. Hun reactie was er vooral een van bezorgdheid: zouden ze hun werk nog wel kunnen doen, achter terroristen aangaan? Met dat werk heb ik helemaal geen probleem, maar wel als ze van alle burgers terroristen maken.”


Als het gaat om het verzamelen en doorspelen van telefoongegevens door de binnenlandse veiligheidsdiensten naar de VS, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken volgens Smits nogal wat boter op het hoofd.
“Dat ze nu voortdurend het woord ‘metadata’ gebruiken maakt mij zo boos. Dat is een nieuw woord dat geen wettelijke bescherming impliceert. Als ze bij Binnenlandse Zaken ‘verkeersgegevens’ hadden gezegd, was meteen duidelijk geweest dat daarvoor een wettelijk kader bestond. Ze wisten het!”


In mei 2013 ontving de Raad van State de studie. Dat er sindsdien nog altijd geen advies naar de Tweede Kamer is gegaan, is volgens Smits een teken dat de politiek met de conclusies van de studie in de maag zit. De manier waarop de Nederlandse overheid omgaat met de rechten van haar burgers, zint de hoogleraar allerminst.


“In 2012 zaten 12.000 mensen onterecht in de gevangenis, daar is 20 miljoen euro aan schadevergoeding voor uitgekeerd. Als dit zo doorgaat, neemt dat aantal alleen maar toe. Wat zijn we aan het doen? Nederland was het eerste land dat de doodstraf afschafte en levenslang als alternatief daarvoor in de wet opnam. Nu zijn we het strengst straffende land in Europa. Het zijn allemaal tekenen van hetzelfde fenomeen: de rechtstaat is in de prullenbak terechtgekomen.”
Mensenrechten en ingenieurs
Niet alleen de politiek heeft schuld aan het afbrokkelen van de rechtstaat. Ook ingenieurs moeten hun verantwoordelijkheid nemen, vindt Smits. “Het is de verantwoordelijkheid van ingenieurs om mee te ontwerpen met het recht. Bij de toepassing van technologieën moeten ze in een heel vroeg stadium rekening houden met de mensenrechten. We kunnen niet meer vertrouwen op overheden die alleen maar gulzig op zoek gaan naar data.”  


“Het kost nu bijvoorbeeld 0,13 dollarcent om iemand af te luisteren, omdat systemen zo open zijn. Als het duurder wordt, moeten veiligheidsdiensten gaan kiezen. Een ander voorbeeld: wat voor auto heb je, een Skoda? Daar zit een motormanagementsysteem in dat precies bijhoudt waar, hoe hard en hoe lang je rijdt. Als auto’s die informatie eenmaal met elkaar gaan uitwisselen, zijn die gegevens voor het grijpen. De TU/e is intensief betrokken bij dit onderwerp, ‘car to car communication’. Maar ik ben al zo vaak tegen de lamp gelopen, dat ik Maarten Steinbuch van Automotive niet eens bel. Niet omdat ik onvriendelijk word bejegend, maar omdat het niets uithaalt.”


Steeds meer voorwerpen in onze directe omgeving zijn uitgerust met elektronica om het leven gemakkelijker te maken. Gevraagd naar zijn mening over het ‘internet of things’, zucht de hoogleraar diep.


“Er zijn verschillende integriteitsrechten. In oplopend belang is dat het recht op privacy, briefgeheim, huisrecht en lichamelijke integriteit. Internet of things heeft betrekking op al die rechten. Binnenin ons lichaam hebben we straks nanopillen, we kleden ons in slimme kleren, we wonen in een slim huis met eromheen een tuin vol slimme zaken. Ook de publieke ruimte waarin we ons bewegen, zit vol met slimme apparatuur. Eigenlijk is deze studie een soort schaamlapje als je alleen artikel 13 over Briefgeheim aanpakt. Als je niets doet aan de andere integriteitsrechten, heeft het geen zin.”


De aanpassing van artikel 13 blijkt al behoorlijk complex, laat staan een integrale herziening van de integriteitsrechten volgens de voortschrijdende technologie. Sterker nog, je kunt je afvragen of de snelle ontwikkelingen op dit gebied wel zijn te vatten in waterdichte wetsontwerpen. Bert-Jaap Koops ziet het echter optimistisch in. “Deze vraag wordt mij altijd gesteld. Ik antwoord meestal: ja, tot op zeker hoogte kan dat wel, als je tijdig nadenkt over mogelijk toekomstige ontwikkelingen en intelligente formuleringen gebruikt in de wet. Wetsaanpassing zal altijd nodig blijven, maar de techniek gaat nu ook weer niet zo snel dat je die nooit ziet aankomen.”


KADER:


Nederlandse grondwet: geen brieven openen, wel emails onderscheppen


Nieuwsgierige opsporingsambtenaren mogen niet zomaar hun neus in onze brieven steken. Artikel 13 (briefgeheim) van de Nederlandse grondwet is er glashelder over:


1.Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.


Natuurlijk hadden de auteurs van het artikel nog nooit gehoord van smart phones, memory sticks of internet. Toch geldt dit artikel voor elke manier waarop burgers met elkaar communiceren: de overheid mag niet zomaar afluisteren of meelezen.


Een prettige gedachte, maar sinds 2009 geldt tegelijkertijd de ‘wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens’, ook wel de ‘data-retentiewet’ genoemd. Deze bepaalt dat telecomproviders verplicht zijn tot het bewaren van onze verkeers- en locatiegegevens voor een periode van twaalf maanden. De overheid mag deze gegevens zonder tussenkomst van de rechter gebruiken voor de opsporing en vervolging van daders van ernstige misdrijven.


Dit wil niet zeggen dat de overheid onze mails uitgebreid kan doorlezen. Wel heeft zij onbeperkt toegang tot de zogenaamde meta-data. Denk aan de geadresseerde van een mail, de tijd waarop het bericht werd gestuurd, de plaats waarop dat gebeurde en het onderwerp van de mail. Deze vallen weliswaar onder de Wet Bescherming Persoonsgegevens, maar opsporingsambtenaren kunnen er zonder tussenkomst van een rechter over beschikken.  


Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan een wet die het Nederlandse Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten mogelijk moet maken om ook de inhoud na te pluizen van al onze communicatie via de kabel. In dat geval mogen opsporingsambtenaren dus ook onze e-mailberichten (of Whatsapp-berichten, Facebookgesprekken, enzovoorts) bestuderen. Welke voorwaarden hieraan verbonden moeten zijn, is nog onderwerp van discussie.

Het boek ‘Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet; een techinishe en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie’ (2014) van Jan Smits en Bert-Jaap Koops is voor medewerkers en studenten gratis te verkrijgen in PDF-formaat.  

Foto: Bart van Overbeeke
Verschenen in Cursor en Slash Magazine, april 2014
Read more
Wednesday, April 2, 2014
Hollen tegen dikke Ethiopiërs (blog)



“Afrikanen kunnen beter hardrennen door de Sahara dan blanke Europeanen. En weten jullie waarom?”
Er viel een ongemakkelijke stilte. Vanuit onze ooghoeken keken we elkaar een fractie van een seconde aan. Hadden we de vraag wel goed begrepen? Hein Daanen, bijzonder hoogleraar Thermofysiologie aan de VU, keek ons afwachtend aan. Klein brilletje, enthousiaste gebaren, een beminnelijke man.
Zijn presentatie maakte deel uit van een informatiemiddag over het Human Power Team, een groepje studenten dat jaarlijks wereldrecords tracht te breken met een zelf ontworpen ligfiets.  


Niemand durfde antwoord te geven. Hoewel de vraag duidelijk niet racistisch bedoeld was, leek het wel heel riskant om een politiek correcte verklaring te formuleren.
“Omdat Afrikanen slanker zijn dan Europeanen!” antwoordde de hoogleraar uiteindelijk zelf maar. Zijn stem klonk triomfantelijk. Ik vroeg me af of hij dezelfde vraag ook stelde tijdens verjaardagen, waar bier drinkende familieleden over alles liever praten dan over academisch onderzoek.


“Afrikanen zijn slanker dan Europeanen, waardoor ze de warmte, veroorzaakt door fysieke inspanning, makkelijker kwijtraken”, lichtte hij toe.
Ik zag meteen voor me hoe minister Timmermans bij de eerstvolgende hongersnood in Ethiopië doodleuk zou verwijzen naar dit onderzoek. “Het slechte nieuws is dat voedselhulp vanuit Nederland er niet meer in zit. Het goede nieuws is dat jullie daardoor wél beter kunnen hardlopen door de Sahara!”


Bij nader inzien zat het allemaal wat ingewikkelder in elkaar. Het ging vooral om de hoeveelheid huidoppervlak ten opzichte van onze massa. Slanke mensen hebben relatief meer huid, en warmte verlies je nu eenmaal via die buitenste cellaag.
“Ja, maar in dat geval zou een lange, slanke Fries dus beter kunnen hardlopen in de hitte, dan een kleine, dikke Ethiopiër”, merkte iemand hoopvol op. Dat bleek te kloppen. Alle aanwezigen glimlachten opgelucht. Weer een gevoelig onderwerp onschadelijk gemaakt.


Op weg naar huis bedacht ik me, dat sponsvormige mensen zo bezien de beste kansen maken bij een wedstrijdje hollen door de Sahara. Voor empirisch bewijs zouden ze eigenlijk een lange slanke Fries en een kleine dikke Ethiopiër moeten laten rennen tegen SpongeBob: kijken wie er wint.


Natuurlijk is dat onmogelijk. Vind maar eens een dikke Ethiopiër.



Read more
Monday, March 31, 2014
Slim koken voor een lekker ding



Liefde gaat door de maag, wat eigenlijk betekent dat een lekkere maaltijd meer doet dan korte rokjes of brede schouders. Maar wanneer vinden we iets lekker? Valt over smaak domweg niet te twisten, of kun je het ook wetenschappelijk benaderen? Ons advies: om een lekker ding te veroveren, kun je maar beter wat smaakkennis in de strijd gooien.



Christa, of Chris - dat laten we even in het midden - is intelligent, heeft gevoel voor humor en is bovendien onbehoorlijk mooi. Het type vrouw of man dat je doet uitbreken in zweterig gestotter door alleen maar te vragen waar het toilet is. Na heel veel biertjes heb je het lef gehad om dat lekkere ding uit te nodigen voor een intiem etentje bij je thuis. En wat het erge is: het antwoord was ja.

In nuchtere staat had je waarschijnlijk een bioscoopfilm of een concert voorgesteld, maar daar is het nu te laat voor. Geen paniek. Dit is een uitgelezen kans om je concurrentie voor eens en altijd uit te schakelen, als je de zinnen van je prooi maar intelligent weet te bespelen. Lekker eten maken is namelijk niet alleen een kwestie van rommelen met ingrediënten, keukengerei en een receptenboek. Het is een complexe tak van wetenschap.


‘Lekker’ is, kort door de bocht, een stofje dat vrijkomt in de orbifrontale cortex. Dat is het deel van onze hersenen dat gelinkt is aan beloning en genot. Deze stof, het hormoon dopamine, zorgt er onder andere voor dat we ons gelukkig voelen. Alles wat we horen, zien, voelen en proeven wordt verwerkt in onze hersenen, die uiteindelijk bepalen of deze prikkels een shot dopamine waard zijn. Ook bij verliefdheid zorgt dopamine trouwens voor dat verslavende geluksgevoel.

Als liefde dus iets met eten te maken heeft, gaat ze niet zozeer door de maag, maar vooral door het hoofd.



De rest van dit artikel is nu te lezen in KIJK nr. 5, 2014. (Dan wel onder de titel 'Zo gaat liefde echt door de maag'.)
Illustratie: Loulou&Tummie
Read more
In Memoriam Apparatus: Microgrid-II




Hightech apparaten verliezen in no time hun aantrekkingskracht. Zo ook een elegante stippelaarster in Amsterdam.



Ze werd als een heldin onthaald. Vijf cameraploegen rukten begin 2000 uit om een glimp van haar op te vangen: state of the art, blinkend van optimisme en klaar voor de strijd tegen genetische aandoeningen.


Niet zomaar elk laboratorium kon zich een dna-microarray-installatie veroorloven; het Amsterdamse onderzoeksinstituut Antoni van Leeuwenhoek had maar liefst 70.000 euro voor haar neergeteld. Maar ze was elke euro dubbel en dwars waard. De plaatjes met dna-materiaal die ze printte, kostten in die tijd nog duizenden euro’s per stuk bij commerciële aanbieders. Microgrid-II maakte ze voor ongeveer een tientje.


Haar interne mechaniek was indrukwekkend elegant. Met haar robotarm doopte ze 48 kleine pennen in een bakje vloeistof met stukjes dna. Voorzichtig zette ze de pennetjes op een glazen plaatje, waar zo miniscule druppels van de oplossing op terechtkwamen. Daarna deed ze hetzelfde met een volgende plaatje en weer een volgende, totdat honderden glazen plaatjes 48 puntjes bevatten. Dan maakte ze de pennen schoon, doopte ze in een andere dna-oplossing en zette de volgende reeks puntjes.  


Waar een laboratoriummedewerker in de jaren negentig nog maandenlang handmatig voor moest zwoegen, dat speelde zij in een mum van tijd klaar: onafgebroken stippelend, zonder ooit in de verleiding te komen de dna-oplossingen woest het lab in te smijten. Binnen twee dagen zette ze 36.000 microscopisch kleine puntjes op exact de juist plek.


De dna-chips werden gebruikt voor kankeronderzoek. Wetenschappers konden ermee bepalen welke genen in een tumor ‘aan’ dan wel ‘uit’ stonden, hopend dat die informatie iets zou verraden over de werking van kanker. Zonder het voorbereidende monnikenwerk van Microgrid-II was de Mammaprint er niet geweest: de beroemde diagnostische test die de kans op uitzaaiïng bepaalt bij borstkanker. Mede op grond van de uitkomst kan de arts besluiten wel of geen chemobehandeling voor te schrijven.


De eerste jaren liet ze het hart van menig onderzoeker harder kloppen. Jonge wetenschappers van ver buiten het ziekenhuis klopten aan om met haar te mogen werken. Zo populair werd ze, dat ze in 2001 en 2003 versterking kreeg van nog twee stippelaarsters. Gewapend met mechanische precisie en menselijke genen stippelden ze menige tumor de verdediging in.


Helaas duren roem en succes zelden eeuwig. Ze merkte het aan de routineuze manier waarop onderzoekers haar begonnen te bejegenen, hun handen die niet meer trilden als ze haar vulden met bakjes genmateriaal. Er klonken geruchten over een nieuwe machine, veel slimmer en mooier nog dan zij: de dna-sequencer.  


In 2009 werd ze bot aan de kant gezet voor het nieuwe apparaat: hightech, glanzend van arrogantie, bejubeld door alle onderzoekers. Niet het ‘uit’ of ‘aan’ staan van de genen, maar de foutjes in het dna die daaraan ten grondslag liggen, dáár draaide het nu om.


De stippelaarsters geraakten aan lager wal. Haar vriendinnen werden verkocht, zij zelf stond vier jaar lang te verstoffen op een gang. Een nostalgische onderzoeker wilde haar nog als museumstuk bewaren, maar daar bleek weinig animo voor te zijn. Eind 2013 eindigde Microgrid-II bij het grof vuil.

In: De Volkskrant, 29 maart 2014.
Read more
Thursday, March 27, 2014
Geld voor grijs gebied


Het Nederlandse topsectorenbeleid hoeft niet op de schop, maar het hokjesdenken doorbreken kan zeker geen kwaad. Ir. Gerald Schotman, chief technology officer van Shell, roept op de honderdste verjaardag van het Shell Technology Centre Amsterdam op tot meer interdisciplinaire samenwerking. 


Het is koffiedik kijken, maar in het zonovergoten kantoor van Gerald Schotman, aan een tafel met broodjes en kroketten, willen we ons daartoe gerust laten verleiden. Dus laten we aannemen dat we over minder dan veertig jaar met negen miljard mensen deze aarde bevolken. We veronderstellen dat de levensstandaard wereldwijd omhoog gaat en dat de benodigde hoeveelheid energie twee tot drie keer zo groot zal zijn. Waar halen we die energie dan vandaan?

In gesprek met de Chief Technology Officer van een internationaal olieconcern verwacht je niet dat het antwoord zal gaan over kernfusie of zonne-energie. Inderdaad blijft Shell de komende jaren fors inzetten op onderzoek naar nieuwe manieren om lastig te bereiken olie- en gasvoorraden te winnen en om te zetten naar energieproducten. Niettemin hebben die pogingen om fossiele brandstoffen te blijven winnen interessante groene randjes.


Neem een project in Oman, waar Shell de zeer visceuse olie uit de bodem weet te pompen door eerst hete stoom te injecteren. Het water voor die stoom wordt opgewarmd met elektriciteit afkomstig van zonneschotels. De schotels staan niet buiten, maar hangen in enorme kassen, zodat wind en stof de schotels niet kunnen deren. Het idee om zonneschotels in kassen te hangen komt van het Amerikaanse bedrijf Glasspoint Solar. Vier jaar geleden ontstond het idee om deze zonneschotel-kassen te gebruiken voor het olieveld in Oman, nu draait er al een installatie van 7 MW en zijn er plannen om ter plaatse een fabriek te bouwen die de schotels produceert.


Het project illustreert niet alleen dat Shell ook op het gebied van duurzaamheid heus wel alles uit de kast trekt om te voldoen aan de voortdurend aangescherpte milieu-eisen. Bovenal wil Schotman ermee laten zien dat samenwerking met andere instanties kan leiden tot snelle technologische innovatie. ‘Snel’ wil in dit geval zeggen: binnen vijf tot tien jaar. In de wereld van de oliewinning, waar grote projecten vaak twintig tot dertig jaar in beslag nemen, staat dat bijna gelijk aan lichtsnelheid.


Kortom, om ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de groeiende energievraag, is samenwerking volgens Schotman noodzakelijk. Nu horen we dat op zijn zachtst gezegd wel vaker. Het hele topsectorenbeleid van Nederland is gestoeld op samenwerking tussen het bedrijfsleven, de overheid en onderzoeksinstellingen. Maar hoewel Schotman “niets dan lof” heeft over dat beleid, valt er volgens hem nog wel wat te verbeteren.

Slimme netwerken
“In Nederland zitten partners uit het bedrijfsleven, de overheid en het onderzoeksveld om de tafel binnen negen topsectoren. Als je met andere bedrijven projecten doet op het gebied van een van die speerpunten, krijg je een toeslag van de overheid. Maar het kan gebeuren dat je een idee over slimme netwerken, typisch relevant voor de sector hightech systemen, wilt toepassen op het gebied van energie. Dan moet je zoeken naar een hokje waar dat in past. Het zou beter zijn het topsectoren-systeem uit te breiden, zodat je dwarsverbanden kunt leggen. Maak kruisbestuiving tussen de sectoren mogelijk.”


Natuurlijk belet niemand bedrijven als Shell om zelf die kruisbestuiving te realiseren. Maar de overheid kan een platform creëren waar minder voor de hand liggende partners elkaar eerder vinden.


“Slimme netwerken zijn bijvoorbeeld van erg groot belang voor Shell. Ik kan daarover contact opnemen met andere bedrijven. Ik durf echter te wedden dat ik dan heel veel bedrijven mis, omdat ik me niet realiseer dat zij zich hiermee bezighouden. De overheid kan tafels creëren, waaraan we veel makkelijker onverwachte partners vinden. De leukste projecten komen voort uit onverwachte samenwerkingen.”


Een mooi voorbeeld is de samenwerking van Shell met Nvidia, het bedrijf dat voor bedrijven als Dreamworks software produceert voor 3D-animaties. Shell wil deze technologie toepassen om seismologische data meer inzichtelijk en behapbaar te maken voor exploranten. Ook werkt het energieconcern samen met een bedrijf dat glasvezelkabels inzet als geluidsensoren. Die technologie is aanvankelijk ontwikkeld voor onderzeeërs in de defensie-industrie.


“Bij glasvezels denk je aan internetkabels, maar je kunt ze ook laten functioneren als sensoren voor trillingen”, legt Schotman uit. “Wij pompen water in de ondergrond om het olie naar de boorputten te leiden. Dat doen we op grond van modellen die niet altijd precies overeenkomen met de werkelijkheid. Met behulp van die glasvezelsensoren kunnen we over meerdere jaren meten wat er gebeurt in diep gelegen aardlagen, zonder dat we in de tussentijd batterijen hoeven te verwisselen. Onze partner weet alles over hoe je geluid uit een glasvezel kunt halen, wij weten wat geluid zegt over de ondergrond. Samen heeft dat geleid tot een heel nieuwe toepassing.”


Ook de samenwerking tussen de universiteiten en het bedrijfsleven kan volgens Schotman nog beter. Hij wijst in dat kader graag op zijn ervaringen met het MIT (Massachusetts Institute of Technology) in Boston. Samen met partijen uit het bedrijfsleven en de overheid kijkt de universiteit of een deel van het fundamentele onderzoek te koppelen valt aan thema’s die ze belangrijk vinden voor de toekomst.


“Als Shell ergens onderzoek naar wil doen, stappen we meestal één op één naar een TU om samen te werken. Dat is goed als we een technologie willen ontwikkelen die we niet willen delen met de concurrentie. Heel veel onderzoek is echter precompetetief. Denk aan onderzoek op het gebied van patroonherkenning: het maakt niet uit of de inzichten uiteindelijk door Philips of door Shell worden gebruikt.”


Botsen
Begrijp hem niet verkeerd, de pot voor fundamenteel onderzoek wil Schotman met rust laten. Hij ziet echter een “groot grijs gebied” tussen dat type en toegepast onderzoek.


“Er moet meer geld naar dat grijze gebied. Als Shell zijn we meer geneigd daarin te investeren als we dat met andere partners samen kunnen doen. Neem materiaalonderzoek. Voor Shell kan ik moeilijk bepalen waar we op moeten inzetten als het gaat om de ontwikkeling van nieuwe materialen. Er gebeurt zoveel tegelijkertijd. Maar we kunnen ruimte creëren door een pot met geld opzij te ztten voor een aantal verschillende materiaalontwikkelingenen. Verschillende industriële partijen zetten hun geld daar dan op in, terwijl de overheid coördineert. Op die manier verspreiden we het risico.”


Ook de betrokkenheid van Shell bij het Amsterdam Metropolitan Solutions, het nieuwe onderzoeksinstituut van de universiteiten van Delft, Wageningen en het MIT dat in Amsterdam wordt gevestigd, sluit goed aan bij Schotmans pleidooi voor meer interdisciplinaire samenwerking. Wat hem betreft is het een welkome breuk in de Nederlandse scheidsijn tussen algemene en technische universiteiten.


“Samenwerken is eigenlijk typisch voor de Nederlandse cultuur. Juist de diversiteit aan inzichten stelt ons in staat om meer uit samenwerking te halen, waardoor ontwikkelingen sneller gaan. Technologische innovatie is een contactsport. Hoe meer mensen je met elkaar laat botsen, des te groter is de kans dat er interessante dingen uitkomen.”

In: De Ingenieur, maart 2014.
Read more