Tuesday, June 21, 2016
Help, de zorgrobot doet het niet!

Foto: Sanne de Wilde

Verschonen zorgrobots in de toekomst onze luiers? Zowel Japan als Nederland stuurt aan op de robotisering van zorgtaken. Dat leidt tot fotogenieke mediamomenten en hallelujaverhalen, maar er gaat veel mis. Vijf harde lessen uit de praktijk.

Als jij lacht, dan lacht zij ook. Schud jij je hoofd, dan schudt zij mee. Alleen als je opstaat, blijft zij zwijgend zitten, want haar plastic benen zijn niet ontworpen om te lopen. ‘Actroid F’, een robot die sprekend lijkt op een vrouw van vlees en bloed, zit nu nog in een laboratorium van het Robot Innovation Research Center in Tsukuba. Haar taak is beperkt: mensengezichten na-apen. Maar ooit moet zij, of een opvolgster, de Japanse zuster in het ziekenhuis vervangen.

Actroid F is nog lang niet klaar om zonder ingenieurs aan haar zijde in ziekenhuizen te functioneren. Om de robot haar kunstje te laten doen, prutst onderzoeker Yoshio Matsumoto uitvoerig op een laptop en sjort aan een luchtpomp - haar glimlach wordt pneumatisch aangedreven. Toch maakte Actroid F al furore in allerlei westerse media, die graag verslag doen van Japanse robots die ‘menselijke zorgwerkers gaan vervangen’.

Zulke robots kunnen we in het vergrijzende westen namelijk ook wel gebruiken. Of het nu gaat om robotberen die bedlegerige patiënten versjouwen (Robear), robotische assistenten die de zusters op hun schreden volgen (Terapio), ‘slimme’ luiers die automatisch ontlasting verwijderen (Minelet Sawayaka), of een exoskelet dat zorgwerkers sterker maakt (HAL), de berichtgeving erover zet Japan steevast neer als het land waar je in zorgcentra struikelt over de hightech zorghulpjes.  

Wie de vermaarde Japanse zorgrobots in actie wil zien, komt echter bedrogen uit.

Lees het volledige artikel op Volkskrant.nl
Read more
Inspiring Fifty



‘Ik wil later net als Neelie Kroes worden. Of als Gillian Tans... of nee, wacht, Corinne Vigreux, dat is pas een inspirerende vrouw!’ Dat moet het effect zijn van de Inspiring Fifty, een lijst van vijftig succesvolle vrouwen in de technische sector. Deze vrouwen moeten meisjes inspireren om óók te kiezen voor een carrière in de technologie. ‘Ik geloof in de kracht van vrouwelijke rolmodellen om een positieve verandering teweeg te brengen’, zegt Janneke Niessen, medeoprichter van Inspiring Fifty. ‘If she can see it, she can be it.’

Ik ben helemaal vóór een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in technische beroepen, dus enthousiast begon ik de portretjes op de lijst aan te klikken. De ene na de andere carrièretijger kwam voorbij: van Regional Vice President Enterprise Corporate Sales North bij Salesforce.com en Vice President Global Accounts & Networks EMEA at Equinix, tot Chief Executive Choclate Maker bij Chocstar en CEO & Founder van Compumatica Secure Networks.

Wat een stralende gezichten, wat een posities, wat een succes! Als ik nog zestien zou zijn, zou ik onmiddellijk uitzoeken welke studies toch tot zulke prachtige carrières leiden. Weet je wat, dacht ik, ik doe het nu alsnog: eens kijken welke exacte studie ik beter had kunnen kiezen dan mijn ‘softe’ studie antropologie.

Anderhalf uur turen naar LinkedIn leverde een nogal ontnuchterende conclusie op. Van de 50 ‘topvrouwen’ hadden er slechts 11 een exacte studie achter de kiezen. Daarvan hadden er 2 Technische Bedrijfskunde gedaan, 4 Industrieel Ontwerpen, 4 een ICT-achtige studie en een van de vrouwen was afgestudeerd als wiskundige. Twintig procent van het totaal: niet echt een reden om exact te kiezen.

Populair bleek de studie economie (7 topvrouwen) en 10 vrouwen hadden gekozen voor een opleiding waarin verschillende van de volgende woorden voorkwamen: business, management, marketing en communicatie. Verder hadden 4 vrouwen een creatieve studie afgesloten en de categorie ‘overige’ bevat opleidingen als hotelschool, journalistiek, psychosynthese (je wil niet weten wat dat inhoudt) en, tataa, antropologie.

De Inspiring Fifty is geen wetenschappelijk gewogen lijst van succesvolle vrouwen; een ander panel had zo maar vijftig andere ‘rolmodellen’ kunnen kiezen. Toch weet ik nu al wat ik ga antwoorden als mijn dochter later vraagt wat ze moet studeren om het ver te schoppen in de techniek: ‘Ach, schatje, eigenlijk maakt het geen ruk uit. Maar hou voor de zekerheid economie in je keuzepakket en als je geen duidelijke voorkeur hebt voor iets anders, kies dan gewoon iets met marketing of business in de naam.’



Read more
Thursday, May 12, 2016
Predictive Policing: criminelen vangen met software



Met behulp van software criminelen op heterdaad betrappen, of voorkomen dat ze toeslaan: het gebeurt allang in Amsterdam. Hoewel er belangrijke gevaren kleven aan de technologie, ziet het ernaar uit dat Predictive Policing de toekomst heeft.


Predictive Policing is het voorspellen van misdaadrisico’s met behulp van software, op grond van grote hoeveelheden data die aan elkaar worden gekoppeld. Ook in Amsterdam gebruikt de politie sinds een jaar Predictive Policing, het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS). Groningen, Enschede en Hoorn volgen dit jaar. Wat zijn de voordelen van dit systeem en wat kunnen we er in de toekomst van verwachten? We vroegen het aan Arnout de Vries van TNO.


Waar gebruikt de Amsterdamse politie Predictive Policing voor?
‘Om ‘eenvoudige’, maar veel voorkomende misdaden als inbraak en zakkenrollen te voorkomen.’


Wat betekent CAS voor het werk van een politieagent?
‘De agenten gaan nog steeds op pad, maar gerichter. Het systeem geeft aan waar en wanneer het risico op een misdaad groot is, maar schrijft niet voor wat de agenten moeten doen. Ga je er bijvoorbeeld naartoe, of hang je camera’s op? De leidinggevende bepaalt altijd al waar de agenten naartoe gaan. Die beslissing is nu deels gebaseerd op de risicobepaling van CAS.’


Werkt het systeem goed?
‘De ervaringen in Amsterdam zijn positief, maar wetenschappelijk onderbouwde resultaten zijn er nog niet. We weten dus niet met welk percentage de misdaad is gedaald door dit systeem.’


Welke data gebruikt de politie bij predictive policing?
‘Ze gebruiken de misdaadgegevens van de politie zelf, in combinatie met andere data. Denk aan de evenementenkalender of de weersvoorspelling. Is het druk in de binnenstad? Doen mensen hun ramen open? Ook de woonplaats van veelplegers wordt erin meegenomen, want binnen een straal van twee kilometer rondom hun woning is de kans groot dat er iets gebeurt. CAS gebruikt nu al meer dan honderd soorten data.’


Hoe meer data ze gebruiken, des te beter de voorspelling?
‘Dat is maar de vraag. Je zou bijvoorbeeld social media kunnen gebruiken om de meest actuele gegevens in je rekenmodel te stoppen. Bij TNO denken we echter, dat het gebruik van nog meer gegevens op een zeker moment alleen zorgt voor optimalisatie in de marge. De opbrengst wordt steeds kleiner. Er bestaat bovendien een risico dat de politie zelf het zicht verliest op het model: hoe meer data je gebruikt, des te complexer worden de berekeningen. Willen we een situatie, waarin de politie zelf geen idee meer heeft waarom het systeem een locatie als risicovol aanwijst?’


CAS richt zich vooral op inbraken en zakkenrollen. Komt er een uitbreiding naar andere criminaliteit?
‘Zo’n uitbreiding kan zeker, maar is complex en vereist dat je fors inzet op data science. Het is de vraag of de politie hiervoor het geld en de expertise heeft.’


Werkt Predictive Policing altijd beter dan de intuïtie van een agent?
‘De software bevat het collectieve geheugen van de politie, dat is meer dan het individu kan onthouden. Maar er kleven ook risico’s aan het gebruik van wiskundige modellen. Zo kan er een tunnelvisie ontstaan, doordat de software zich baseert op data uit het verleden. Als het systeem agenten een wijk in stuurt, zullen deze in veel gevallen wel wat vinden. Als het systeem vervolgens redeneert dat het risico in die wijk groter is dan elders, stuurt het de agenten er nogmaals heen. Zo kan onterecht het idee ontstaan dat die wijk crimineler is dan andere wijken. Die versterkende redeneringsloop kun je onder andere doorbreken door agenten af en toe willekeurig een wijk in te sturen.’


Critici van predictive policing zijn bang dat onterecht mensen op worden gepakt. Is die angst terecht?
‘Een veel gebruikt voorbeeld is dat iemand ten onrechte wordt aangehouden, omdat hij ‘s nachts toevallig met een schroevendraaier rondloopt over straat. Ook ‘racial profiling’ kan het systeem insluipen: mechanismen, waardoor mensen met een etnische achtergrond vaker worden aangehouden. Stel, bijvoorbeeld, dat de eerder genoemde wijk toevallig erg multicultureel is. Je moet je bewust zijn van de data het systeem ingaan en welke juist ontbreken. Eigenlijk zou een onafhankelijke ethische ICT-commissie het systeem moeten toetsen.’


Prescriptive policing zou de volgende stap kunnen zijn. Wat houdt dat in?
‘Predictive Policing zegt alleen op welk moment er mogelijk iets gaat gebeuren. Prescriptive Policing voorspelt welke maatregel het meest effectief is gebleken om het te voorkomen. Het politiesysteem bevat een schat aan gegevens die nu onbenut blijft. Met smartphones kun je bijvoorbeeld meten waar agenten geweest zijn en deels ook wat ze gedaan hebben. Welk effect heeft dat gehad?’


Is de politie hier klaar voor?
De Nederlandse politieleiding stuurt nu juist erg aan op professionele vrijheid van de agenten. Als die vrijheid wordt ingeperkt door software, zal dat lastig te accepteren zijn. Bovendien is er een enorme allergie voor cijfers: een kopje koffie drinken in een buurthuis is moeilijk in cijfers uit te drukken, toch kan het enorm nuttig zijn. Het is heel belangrijk dat agenten en leidinggevenden de toegevoegde waarde van het systeem zelf gaan ervaren. Die mindset is nog belangrijker dan de dataset.’


Is het nog een optie om deze technologieën links te laten liggen?
‘Gezien de efficiëntie van de bedrijfsvoering ligt het voor de hand om toch op predictive en prescriptive policing in te zetten. De politie weet momenteel niet wat allerlei interventies opleveren. Zowel de politiek als de samenleving verwacht dat resultaten aantoonbaar gehaald zijn. En de politie moet steeds meer doen met minder. Deze technologie stelt je daartoe in staat. Wat ook sterk meespeelt, is dat het bedrijfsleven deze systemen wel heel snel accepteert. De beveiliging van steeds meer openbare ruimten, zoals voetbalstadions, bedrijventerreinen en pompstations, raakt geprivatiseerd. Dat kan ertoe leiden dat de politie straks wordt verdrongen door technieken die veel effectiever werken.’


KADER
Tien mythen over predictive policing

1. Crimineel gedrag is niet te voorspellen
Criminelen zijn vaak net zulke gewoontedieren als andere mensen. Na een succesvolle woninginbraak zijn ze bijvoorbeeld geneigd het in een vergelijkbare woning in dezelfde omgeving nog eens te proberen. Dergelijke patronen maken woninginbraak redelijk voorspelbaar.  


2. Robots zullen agenten vervangen
Predictive policing maakt gebruik van algoritmes om agenten te helpen misdaden te voorkomen. De agenten worden niet vervangen door machines, hoewel hun rol kan veranderen.


3. Met predictive policing maken boeven geen kans meer
Het algoritme van Predictive Policing wijst plaatsen aan op de kaart: hier is de kans op een misdaad hoog. Welke actie de politie vervolgens het best kan ondernemen, is vaak minder duidelijk. Nieuwe analyses van veel cases (big data) kunnen inzicht geven in de effectiviteit van verschillende maatregelen, want boeven blijven creatief.


4. Voor een goede voorspelling zijn data nodig van iedereen
De politie analyseert al jarenlang processen verbaal om inzicht te krijgen in misdaadnetwerken. Predictive Policing doet dit ook, maar koppelt meer gegevens in tijd en plaats. Het is niet nodig gebleken om van alle burgers data te verzamelen om te voorspellen op welke plaatsen het risico op een misdaad groot is.


5. Predictive Policing is een gedachtenpolitie die je oppakt voordat je iets doet.
Met Predictive Policing wil de politie misdrijven voorkomen door op tijd actie te ondernemen. Dat wil niet automatisch zeggen dat onschuldige burgers worden opgepakt voordat ze iets hebben gedaan. Wel is het belangrijk dat Predictive Policing zich baseert op data die onbevooroordeeld en controleerbaar zijn.


6. Predictive Policing helpt misdaad de maatschappij uit
Predictive Policing biedt geen oplossing voor alle soorten misdaad. Risico’s, veiligheid en politiewerk zijn niet volledig uit te drukken in cijfers, waardoor computermodellen soms tekortschieten. De menselijke benadering van de agent blijft belangrijk en misdaad zal altijd blijven bestaan.


7. Gezond verstand van de wijkagent is altijd beter dan een stukje software
‘Gezond verstand’ bevat vaak meer vooroordelen dan software gebaseerd op objectieve statistische modellen. Het is wel belangrijk dat de modellen zelf niet onbedoeld bevooroordeeld  zijn. Predictive Policing werkt ter aanvulling van gezond agentenverstand.


8. Predictive Policing is oude wijn in nieuwe zakken
Vroeger gebruikte de politie prikborden met een regiokaart om de criminele ‘hotspots’ aan te geven, uitgaande van misdaadcijfers uit het verleden. Predictive Policing doet hetzelfde, maar op digitale kaarten die de toekomst tonen. Er worden ook veel meer gegevens aan elkaar gekoppeld. Het is dus eerder nieuwe wijn in oude zakken.


9. Predictive Policing is plug & play
Predictive Policing lijkt zo simpel: je haalt de criminaliteitsgegevens door een computer en
er rolt een kaart met rode vakjes uit. Organisatorisch vereist de toepassing echter een cultuurverandering. De agenten moeten hun denk- en werkwijze aanpassen.


10. Agenten laten zich niet sturen door een algoritme

Wanneer agenten zelf ervaren dat Predictive Policing een meerwaarde heeft, zullen ze de technologie eerder accepteren.

Verschenen op TNO Time online , mei 2016

Read more
'Nederland is te klein voor drie technische universiteiten'

Foto: Vincent van den Hoogen

Hij gooit de knuppel in het hoenderhok: Nederland is te klein voor drie afzonderlijke technische universiteiten. In het jaar dat de TU Eindhoven zestig jaar bestaat, pleit Peter Wennink, CEO van ASML en sinds januari lid van de Raad van Toezicht, voor een fusie met Delft en Twente. Hij legt uit waarom Eindhoven een upgrade nodig heeft tot wereldstad, waarom de samenwerking tussen de TU/e en het bedrijfsleven nog hechter moet en waarom de micro-elektronica ook in de toekomst zo belangrijk blijft.

Halverwege het gesprek verzucht hij plotseling: “Hou alsjeblieft op met ‘u’ zeggen. Zeg ‘je’ tegen me, dat doet iedereen hier.” Het zou zomaar waar kunnen zijn. De ‘doe maar gewoon’-cultuur waar ASML in de regio bekend om staat, past Peter Wennink goed. Ontspannen kauwt hij zijn laatste cracker weg, nadat hij zich voor de vorm verontschuldigd heeft voor het gebruiken van zijn lunch. En hoewel hij uitstekend weet wanneer hij zijn mond moet houden, zegt hij verder vooral onomwonden wat hij vindt. Dat de drie Nederlandse TU’s wat hem betreft beter kunnen fuseren, bijvoorbeeld.
“Het heeft mij altijd verbaasd dat er drie technische universiteiten in Nederland zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de technische universiteit in Aachen, die heeft meer studenten dan de drie TU’s bij elkaar. We zouden competentiegebieden kunnen definiëren en een stuk specialisatie doorvoeren, waarbij je elkaar niet beconcurreert. Voor een zakenman is dat heel logisch.”

De stelling komt een beetje uit de lucht vallen, want de vraag ging eigenlijk ergens anders over: waarom besloot ASML in 2013 om het nieuwe Instituut voor Nanolithografie niet in Eindhoven, maar in het Amsterdamse Science Park te vestigen? De keuze zorgde indertijd voor nogal wat geknarsentand in Eindhoven. Een begrijpelijke reactie, gezien de jarenlange intensieve samenwerking tussen ASML en de TU/e. Was Eindhoven, zoals wel werd gezegd, te klein om voldoende kennis te mobiliseren?
Dat had er inderdaad mee te maken, zegt Wennink. Om vervolgens dus van wal te steken over de TU-fusie. De Nederlandse universiteiten kunnen hun krachten namelijk beter bundelen, dan elkaar te beconcurreren in het kleine kikkerlandje dat we zijn. “Wij (bij ASML, red.) zien Nederland als één grote vijver. Daar horen deelvijvers bij, maar voor ons blijven het allemaal kikkers die erin rond zwemmen. Wat voor ons belangrijk was, is dat het gezamenlijke aanbod van AMOLF, UvA en VU de sterkste onderzoeksagenda bood, waarin we zowel diepte, creativiteit als internationale kijk vonden die bij dit onderzoeksgebied past.”



Ook de uitstraling van de hoofdstad speelde een rol, vertelt Wennink over de keuze voor Amsterdam. “De aantrekkingskracht van Amsterdam is groter dan die van Eindhoven, daar kan ik niks aan doen. Ik hou van Brabant en wil hier niet weg, maar Amsterdam is met zijn kosmopolitische uitstraling momenteel aantrekkelijker voor buitenlanders.”

Dat Eindhoven voor veel buitenlanders minder aantrekkelijk is dan de stad van de grachten, de wallen en drugs, baart de topman wel zorgen. Wil regio Brainport zich doorontwikkelen tot een internationaal kenniscentrum waar hoogopgeleide werknemers graag vertoeven, dan moet de uitstraling van de regio flink worden verbeterd. De hiervoor benodigde rijksbijdrage voor culturele en sportvoorzieningen is echter ver beneden peil, aldus Wennink.

“De TU/e is heel sterk gegroeid de laatste jaren, maar je wilt die studenten ook een woon- en leefomgeving bieden die recht doet aan die ambities. Bij ASML werken 85 verschillende nationaliteiten. Als die mensen willen schaatsen, dan moet ASML dat funden, omdat er anders geld tekort is. Dat is een gotspe! Mensen willen ook leven We behoren niet tot de big four: Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam. Maar als je kijkt naar het economische belang van de regio Brainport en onze bijdrage aan het BNP, dan staan we bovenaan. Dat er zo’n groot verschil is in rijksfinanciering in vergelijking met de grote vier, is onacceptabel.”

Samen met met andere topbestuurders van Brainport klom hij onlangs in de pen om, zoals hij het uitdrukt, “de overheid het vuur aan de schenen te leggen”. De inzet: meer geld (“getallen noem ik niet”) voor cultuur en sport. Want hoewel hij Nederland graag ziet als één grote vijver, is het nu tijd om op te komen voor de Oost-Brabantse kikkers. “Omdat ik zie dat ze hier minder te eten krijgen dan elders in de vijver”, zegt hij ernstig. “Het gaat om het ecosysteem van Zuid-Oost Nederland. Zoals altijd trekken we samen op, Jan Mengelers doet ook mee.”


Samen optrekken, die woorden vallen tijdens het gesprek verschillende keren. Door samenwerking - met kennisinstellingen, met klanten, leveranciers, werknemers en aandeelhouders - is ASML tenslotte groot geworden. Wennink, van opleiding registeraccountant, maakte er de afgelopen zeventien jaar van mee. Daarvoor werkte hij als partner bij Deloitte.
“Toen ASML naar de markt werd gebracht, heb ik daarmee geholpen. ASML was toen nog een jong bedrijf en er heerste een soort cowboycultuur. Het bedrijf had schwung, je zag geloof in het bedrijf, geloof in wat ze konden doen. Terwijl anderen soms zeiden: is dat allemaal niet wat erg ambitieus? Toen ben ik ingestapt.”


Plotseling zat hij aan de andere kant van de tafel: niet die van de consultant, maar die van financieel directeur. En dan ook nog in een bedrijf vol techneuten. Tegen een interviewer van The Financial Times vertelde hij een tijdje terug, dat ingenieurs soms wel wat naïef zijn. Wat bedoelde hij daarmee? “Hardcore ingenieurs lossen in mijn ervaring de meest waanzinnige problemen op, doordat ze heel diep op de materie ingaan”, licht hij toe. “Ze besteden niet teveel aandacht aan randverschijnselen. Die eenzijdige focus op techniek zorgt ervoor, dat ze minder aandacht hebben voor wat er om hen heen gebeurt. Wat zijn de eisen van klanten en leveranciers? Levert een product wel extra waarde op? Een bedrijf leid je niet alleen door een prachtig technologisch product te maken. Af en toe moet ik corrigerend optreden, ingenieurs hebben die spiegel nodig.”


Naïef of niet, ingenieurs zijn het onmisbare brein achter de chipmachines van ASML en Wennink is de laatste om dat te onderschatten. Om ruwweg elke twee jaar het aantal transistoren op een chip te verdubbelen, hetgeen de Wet van Moore influistert, moeten technologische grenzen voortdurend worden verlegd. Dat lukt niet in twee jaar, maar vereist langdurig fundamenteel onderzoek. Het bedrijf werkt daarom innig samen met allerlei kennisinstellingen, waarvan de TU/e een heel belangrijke is, vertelt Wennink.
“Voor ons is de TU/e een enorme bron van talent, dus die samenwerking is heel logisch. De competentiegebieden van de universiteit sluiten heel nauw aan bij de behoeften van ASML: mechatronica, systeemintegratie, optica, lasertechnologie. Toevallig zei de rector van Delft gisteren nog tegen me: we zouden wat meer samen moeten doen. Maar de samenwerking met de TU/e is in de loop van twintig jaar zo gegroeid. Dat komt ook door de nabijheid.”

Toen hem werd gevraagd om zitting te nemen in de Raad van Toezicht, hoefde hij dan ook niet lang na te denken, vertelt Wennink. “Ik zeg meestal nee tegen nevenfuncties, maar dit raakt aan de belangen van de stakeholders van ASML. Bij zoveel samenwerking is het logisch dat de samenwerking ook op bestuurlijk en strategisch niveau meer vorm krijgt. Waar wil de TU/e over tien jaar zijn, waar wil ASML over tien jaar zijn? Het maakt de communicatie makkelijker.”
Hoe de wereld er over tien jaar ook uit zal zien, de micro-elektronica zal er een hoofdrol in spelen, denkt de ceo. “Er zijn grote maatschappelijke uitdagingen waar we als mondiale samenleving mee te maken hebben. Thema’s als veiligheid, gezondheid, energie, de schaarste van grondstoffen en een groeiende wereldbevolking met steeds grotere behoeften. Hoe gaan we met die druk om? Ik denk dat de universiteit zich moet richten naar die grote thema’s. Innovatie is absoluut bepalend om het hoofd te bieden aan zulke thema’s. En de micro-elektronica is een uitermate belangrijke pijler, waarop allerlei innovaties zullen zijn gestoeld.”

Over de competenties van de TU/e om grote thema’s aan te pakken, maakt Wennink zich geen zorgen. Wel is hij ongerust over de middelen die de universiteit hiertoe ter beschikking staan. Volgens hem dreigt er een kloof te ontstaan tussen de faciliteiten van de TU’s en het hightech bedrijfsleven. “Als de universiteiten ons willen bijbenen, dan moeten ze wel beschikken over de juiste faciliteiten. De technische universiteiten hebben meer middelen nodig van de overheid. Als je vindt dat we waarde moeten creëren op grote maatschappelijke thema’s om zo de welvaart in stand te houden, dan moet je de elementen die bijdragen aan dat succes ondersteunen. ”
In de zestig jaar dat de TU/e bestaat, heeft inhoudelijke samenwerking met het bedrijfsleven altijd een belangrijke rolgespeeld. Nu de financiële steun vanuit de overheid echter steeds grilliger wordt, zal de universiteit volgens Wennink meer dan ooit moeten inzetten op valorisatie, het te gelde maken van innovaties in samenwerking met het bedrijfsleven. Als voorbeeld noemt hij de promoties die ASML cofinanciert.

En tja, als je het dan toch over een efficiënt gebruik van middelen hebt, dan komt ook die fusie weer ter sprake. “De universiteiten zien hindernissen, vaak van financieel-technische aard. Maar hindernissen zijn er om weg te nemen”, zegt de topman. “De overheid kan hierin faciliteren.” Zo zou Den Haag een grotere bijdrage kunnen koppelen aan verdergaande samenwerking tussen de universiteiten. “De TU’s willen een beter aanbod bieden, meer de diepte ingaan. Als overheid kun je dat stimuleren met geld, maar dan wel eisen dat dingen anders georganiseerd worden.” Voor wat, hoort wat. Of, zoals Wennink het monter uitdrukt: “Tit for tat.




Loopbaan van Peter Wennink
Peter Wennink (1957) volgde een opleiding aan het Koninlijk Nederlands Instituut van Registeraccountants. Na zijn studie ging hij aan het werk als accountant bij Deloitte, waar hij zich als partner specialiseerde in high technology en de markt van halfgeleiders. In 1999 stapte hij over naar ASML, waar hij financieel directeur werd. In 2013 werd hij benoemd tot CEO en president van ASML. Wennink is getrouwd en heeft twee kinderen.



Dit artikel verscheen in TU/e Slash Magazine, april 2016
Read more
Tuesday, April 19, 2016
pacifistische ingenieurs


Het was een nogal krachteloze aftrap van Juliano Pinto. De bal rolde zachtjes naar voren en bleef anderhalve meter verder weer liggen. Toch was die start van het wereldkampioenschap voetbal op 12 juni 2014 een indrukwekkend bewijs van waartoe de technologie in staat was: de half verlamde Pinto kon normaal niet eens zijn grote teen bewegen. Tijdens zijn optreden staken zijn benen in een exoskelet dat hij aanstuurde met zijn brein. Elektroden vingen de hersengolven op die een computer vervolgens vertaalde naar een beweging van het skelet.

Dezelfde technologie is te gebruiken om wat dan ook in beweging te brengen: een cursor, een drone, of, ik noem maar wat, een bommenwerper. De Royal Society, een wetenschappelijke denktank van de Britse overheid, zette in 2012 allerlei militaire toepassingen van neurologisch onderzoek eens op een rijtje. Telekinetisch bommenwerpen was maar één van de vele militaire toepassingen van allerlei technologieën die de uitvinders ervan vast niet voor ogen hadden. Dat is het lot van de uitvinder: je bedenkt een manier om tunnels te graven (dynamiet) en voor je het weet gooien ze dorpen plat met je vinding.

Je kunt hier je schouders over ophalen. Is het de verantwoordelijkheid van de wetenschapper dat voor allerlei innovaties ook een gewelddadige toepassing te bedenken valt? Bij de afdeling robotica in Delft, ontdekte ik onlangs, bestaan hierover zeer principiële ideeën. Toen ik een artikel over oorlogstechnologieën schreef, wilde niemand me binnen deze context te woord staan. Zelfs de associatie van hun kennis met militaire toepassingen wilden ze niet op hun geweten hebben.
Jammer voor mij, maar ik kon me er wat bij voorstellen.   

Afgelopen zomer riepen astrofysicus Stephen Hawking, Tesla-oprichter Elon Musk en duizenden andere experts op het gebied van kunstmatige intelligentie op tot een verbod op autonome wapens. Dat techneuten zelf op de rem trappen om te voorkomen dat een technologie voor de verkeerde dingen wordt aangewend, is vrij uniek en zou dus alarmbellen moeten doen rinkelen. Toch was de Nederlandse Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) niet onder de indruk. Zo’n vaart zou het allemaal niet lopen, oordeelde de raad, waarna de Tweede Kamer het advies kreeg om de ontwikkeling van autonome vechtrobots voorlopig maar niet te verbieden.


Je hoeft geen expert te zijn op het gebied van kunstmatige intelligentie om te snappen dat die vaart allang is ingezet. Het is mooi als ingenieurs hun geweten laten spreken, maar nog fijner zou het zijn als juristen en politici daar een voorbeeld aan zouden nemen.  

In: TUNieuws, december 2015

Read more
De afvalrace



Vergeleken met veel andere Europese landen is Nederland een brave afvalscheider en zelfs een ster in composteren. Toch valt er nog behoorlijk wat te verbeteren als het gaat om het recyclen van huishoudelijk afval. Wat gebeurt er nou eigenlijk precies met al ons afzonderlijk weggemikte vuil? KIJK vlooide het uit.

Daar sta je dan, besluiteloos, met een druipend theezakje in je hand. In het keukenkastje staan vier afvalbakken: een voor oud papier, een voor groente-, fruit- en tuinafval, een voor plastic en een voor restafval. Het zakje zelf mag bij het gft, maar hoe zat het nou met dat papieren label, chloorgebleekt en met inkt bedrukt? Voor de zekerheid trek je het ding eraf en mikt het in de papierbak. Daarna peuter je het nietje (metaal!) los uit het doorweekte zakje – dat direct kapot scheurt. En terwijl je de theedrek van de grond veegt, mopper je hardop: waarom doe ik dit in vredesnaam? Wat levert al dat gevlooi nou eigenlijk op aan milieuwinst? Wat gebeurt er met die stinkende gft-bakken, dat glas, die bergen plastic en al dat andere afval vanaf het moment dat je het na veel wikken en wegen hebt weggeflikkerd?
Welkom in de wondere wereld van de afvalverwerking. Een gebied waarover veel instanties trots roepen dat Nederland erin voorop loopt, omdat we nog maar één procent van ons huisafval storten op de vuilnisbelt. In de rest van Europa is dat wel anders: in 17 van de 30 landen eindigt meer dan de helft van het huisvuil op een groeiende berg afval. Mede omdat daarvoor in Nederland veel te weinig ruimte is, verbranden en composteren we dat het een lieve lust is. En geen materiaal te gek, of we recyclen het wel.
Dat is althans de indruk die je als ijverige afvalscheider krijgt van informatiewebsites van gemeenten, Milieucentraal.nl en van de grote vuilverwerkingsbedrijven. Maar hoe goed doet Nederland het nu echt?

Rotzooi 'exporteren'
In Europa staan we op de vierde plaats voor wat betreft het scheiden van ons afval. Toch behoren we op het gebied van recyclen tot de middenmoot: ongeveer 25 procent van al het materiaal dat we weggooien, wordt als grondstof hergebruikt voor nieuwe producten. Ter vergelijking: in Duitsland is dat 46 procent. Composteren valt volgens deze cijfers niet onder recyclen, wat meteen de reden is waarom we beter scoren als afvalscheiders, dan als recyclers.  
Dat een kwart van alle materialen wordt hergebruikt, wil nog niet altijd zeggen dat dit op een milieuvriendelijke manier gebeurt.

Lees de rest van dit artikel in KIJK, december 2015
Read more